Grotesken

 

Grotesken

Grotesken zijn ingewikkelde vlakvullingen, opgebouwd uit tal van ornament-figuren.  

"Het woord 'grotesken' komt van het Italiaanse 'grotteschi', dat 'grotschilderingen' betekent. Rond 1500 ontdekte men bij toeval het 'Gouden Huis' van keizer Nero, doordat er iemand door de grond zakte en in een onderaardse ruimte terecht kwam. Het paleis was in de loop van de tijd grotendeels bedolven geraakt onder puin en huisvuil van latere generaties. Daardoor leken het een soort onderaardse grotten.  

Het Domus aurea (= gouden huis) moet een fantastisch fraai party-paleis geweest zijn met 300 kamers, echter zonder keukens of toiletten. Er werd heel veel gepolijst wit marmer gebruikt, veel bladgoud (vandaar de naam), fineer van ivoor en overal fresco's op de muren, die in thema's over groepen van kamers verdeeld waren. Er waren baden in de kamers en fonteinen op de gangen. Nero hield zelf als architect de werkzaamheden nauwlettend in de gaten.

 

Rome: sinds 2007 zijn een paar gerestaureerde kamers van het Gouden Huis weer open voor publiek

 

Het Gouden Huis van Nero werd al snel na zijn dood door zijn opvolgers ontmanteld, ontdaan van alle kostbaarheden, grotendeels gesloopt en voor de rest volgestort met puin.

Later werden daar andere bouwwerken, zoals de Thermen van Titus en Hadrianus daar weer bovenopgezet. Na de herontdekking is in de loop van de tijd de kwaliteit van de fresco's in een allerbelabberste situatie gekomen. Heel moeilijk om daar nog wat van te restaureren.

De muren van de kamers waren beschilderd met fabeldieren, menselijke en dierlijke fantasiefiguren, maskers, zuiltjes en vazen, speels met elkaar verbonden door wijnranken, fruitslingers en putti. En dat van een bijzonder elegantie en zwierige lichtheid. Wie het zag stond perplex. Deze decoraties werden 'grotteschi' genoemd, naar hun vindplaats onder de grond. 

Ze zijn meestal symmetrisch aangebracht ten opzichte van een denkbeeldige middellijn

Plinius, een Romeinse historicus, noemt in zijn Natuurlijke Historie de naam van de belangrijkste kunstenaar: Fabullus (ook wel Famullus). Deze werkte volgens Plinius elke dag voor een paar uur keihard in het Gouden Huis, als hij goed licht had. Het werd zijn levenswerk.

 

De Loggetta in het Vatikaan, door Rafaël met grotesken beschilderd (ca. 1515)

 

Inspiratiebron

In de Renaissance bestond er, bij kunstenaars en opdrachtgevers, een grote behoefte aan nieuwe vormen en ornamenten. Er werd gezocht naar een nieuwe vormentaal, gebaseerd op de klassieke oudheid. De vondst van de grotesken in het Domus aurea kwam dus precies op het juiste moment.

O.a. Rafaël en zijn medewerkers hebben de fresco's bestudeerd en nagetekend. Met veel fantasie hebben ze de ideeën verder ontwikkeld. West-Europese kunstenaars, die Rome bezochten, doken ook zelf de 'grotten' in, hangend aan touwen, om de afbeeldingen met eigen ogen te zien en de vormen in zich op te nemen. Rafaël sterft in 1520. Zeven jaar later verlaten zijn medewerkers Rome vanwege het beleg en de verwoestingen door Karel V. Ze strijken o.a. neer in Brussel, waar ze een bijdragen leveren aan o.a. de tapijtweverijen.

Het vormenmateriaal van Rafaël werd door de zogenaamde voorbeeldbladen van Aldegrever en C. Floris in de Nederlanden verspreid. Grotesken vormden de basis voor de meeste versieringen in de 16de eeuw en ze bleven populair tot ver in de 19de eeuw. Ze zijn te vinden op gevels, binnenwanden, meubels, wandtapijten en allerlei gebruiksvoorwerpen.

Ook in de Empire-bovenlichten zien we voorbeelden van onderdelen van grotesken verschijnen.

 

Groteske maskers

 Het woord grotesk kom je toch ook tegen als een enkel menselijk of duivels aandoend, maar meestal bizar ogend, gezicht bedoeld wordt: het groteske masker.

Op een kist uit Pompeï zien we een kop, maar ook putti, een godinnenhoofd en een stierenkop. 

 

Pompeï: metalen paneel van een kist: 1e eeuw

 

Renaissance

Rond 1530 kwamen Italiaanse kunstenaars werken aan het Franse hof in Fontainebleau. Zij brachten de grotesk-ornamenten mee. In diezelfde tijd kwam er ook een eerste album met voorbeeldbladen in druk uit. De nieuwe stijl verspreidde zich spoedig noordwaards naar de Nederlanden en Duitsland.

De klassieke grotesque vermengde zich hier met de van de gotische stijl geliefde drôlerieën (schertsfiguren a la Jeroen Bosch). Er werd in allerlei takken van kunst gretig gebruik van gemaakt: in boekillustraties, tapijten, keramiek, edelsmeedkunst, meubels en dus ook in gevels.

Ten aanzien van het figuratieve werk, zoals de grotesken, saters en maskers is Cornelis Floris degene die door alle veranderingen heen ook na zijn dood tot in de periode van het maniërisme herkenbaar blijft.

 

voorbeeldblad van Giulio Clovio: leerling van leerling van Rafael

 

Gotische drolerieën

Naast de afschrikwekkende grotesken, tref je al aan de oude gotische kerkgebouwen de zogenaamde waterspuwers of gargouilles aan. De gotische Domkerk in Utrecht heeft er een hele serie en ook de Sint Jan in Den Bosch doet er niet voor onder.

Naast de technische voorziening dat het regenwater via een pijpje de bek van het monster uitstroomde, waren het ook ornamenten, waardoor er vaak veel meer (speelse) figuren op de kerkdaken te vinden zijn dan enkel de waterspuwende exemplaren. Soms hadden ze net als pinakels ook nog een gewichtige functie (versterking drukkracht op de constructie). 

 

Den Bosch kathedraal: mannetjes op de luchtbogen aan de buitenkant

 

Het gelijke met het gelijke bestrijden

De grotesken en gargouilles gaven kunstenaars een soort vrijbrief in die tijd om hun fantasie uit te leven. De maskers en koppen hoefden alleen maar te voldoen aan de eisen van angstaanjagend en/of grappig.

Of ze, zoals vaak beweerd wordt, al van oudsher aangebracht werden om boze geesten weg te jagen, is lastig vast te stellen. Vaak doen de kunstenaars hun best om duivelse figuren uit te hakken. Maar het kan toch wel zijn, dat men serieus dacht dat de gelijke de nagebootste gelijke wel zou begrijpen en daarvoor op de vlucht zal slaan.

Iets vergelijkbaars zien we in de middeleeuwse kruidenkennis. Bijv. Longkruid zou helpen tegen longziekten, want het blad lijkt op een aangetaste long.Overigens is deze regel van Paracelsus (het gelijke met het gelijke bestrijden) ook gangbaar binnen de homeopathie. 

 

Kloosterbanken

Ook in het Middeleeuwse meubilair werden groteske maskers uitgehakt als een soort duivelskoppen. Een mooi voorbeeld zijn de kloosterkoorbanken.

Hiervan kan het zitvlak van elke stoel in de bank apart omhooggeklapt worden. Aan de onderzijde die dan zichtbaar is, is een drolerie-kop aangebracht. De monnik kan in knielhouding dan met zijn achterste er tegenaan rusten en zo de duivel 'een poepie laten ruiken'.

In het latijn werden deze koppen misericordia's genoemd.

 

Dordrecht: stadspoort

Stadspoort te Dordrecht met masker

 

Stadspoort te Dordrecht met masker

 

Amsterdam

Grotesk uitgevoerd in gekleurde tegels. Dergelijke portiekwoningen stammen van rond de eeuwwisseling (ca 1900).Het is deze zelfde figuur ongeveer, die we soms ook in Amsterdamse bovenlichten tegenkomen. 

We kunnen dan ook stellen dat diverse vormen van 19e eeuwse snijramen hun vorm ontleend hebben aan de grotesk.

 

Amsterdam: korte Marnixgracht: portiek met grotesk