IJzerwinning in Nederland

 

Naast hout, leem en steen is ook ijzer als bouwmateriaal belangrijk. Vooral aanvankelijk voor gereedschappen, spijkers en muurankers.

 

voorbeeld van een klappersteen

IJzeroer aan de oppervlakte

De herkomst van het ijzer 

Belangrijkste bron: IJzeroer uit beekdalen klik op cultuurhistorie en vervolgens onderaan op ijzeroer uit beekdalen.  We zien dat ijzer als materiaal voor roeden in de bovenlichten al tegen het eind van de 17e eeuw een rol gaat spelen. In het midden van de 19e eeuw overvleugelt het gietijzer het houtgebruik, als de levensbomen populair worden. Een reden te meer om toch eens wat nader te duiken in de wereld van de ijzerfabricage.

 

IJzeroer en klapperstenen

IJzererts werd in oostelijke streken in onze eigen bodem gevonden. Meestal in de vorm van ijzeroer of als klapperstenen. 

IJzeroer is een bruinig 'gesteente'.  Als ijzerhoudend water vlak en traag door een zanderige bodem beweegt, is er kans op afzetting van het ijzer. Het werd gestoken met houwelen of later ook wel in blokken gezaagd. In de muren van de kerken van Silvolde en Elten zijn rechthoekige ijzeroerstenen verwerkt. 

Klapperstenen zijn kleine steentjes ter grootte van 1 tot 3 cm met vaak een losse kern. Als je ze heen en weer beweegt rammelt de kern wat. In de Middeleeuwen (tussen 600 en 800) werd er door de Franken op de Veluwe naar klapperstenen gedolven, die vaak in ondiepe lagen in de grond voorkwamen. Ze kwamen voor in oost-west lopende afzettingen. 

Er zijn op de Veluwe in het Asselsche veld nog lange sleuven te zien, die als droge grachten door het landschap lopen, met in de buurt een enorme afvalberg ijzerslakken. Inmiddels is dit een erkend Rijksmonument.

Klapperstenen zijn vermoedelijk ontstaan voor de laatste ijstijd in de rivieren in dit gebied. Om een kluitje leem zette zich ijzererts af, een verbinding van ijzer, zuurstof en silicium. Soms droogde de leem later in en ontstond er ruimte in de steen, waardoor deze ging rammelen.

 

Romaanse NH kerk van Silvolde met oerstenen muren. Oorspronkelijk waren dit kasteelmuren.

 

 

Er werd gepoogd het ijzer te winnen door gebruik te maken van kleine lemen schachtovens, die tot 1150 graden konden worden opgestookt.. Deze werden gevuld met een mengsel van klapperstenen (of ijzeroer), houtskool en toeslagstoffen. Vanonder werd met blaasbalgen lucht (zuurstof) toegevoerd.

Er ontstond dan een wolf, een sponsachtige warme brosse ijzermassa. Deze moest daarna nog verder gesmeed worden tot een stuk blokijzer.

 

Voor het stoken van ovens en het maken van de houtskool waren enorme hoeveelheden hout nodig. De ontbossing van deze streken van ons land moet wel voor een belangrijk deel het gevolg zijn geweest van de ijzerwinning.

Een deel van het ijzer werd bewerkt tot gereedschappen voor eigen gebruik en een deel werd geëxporteerd naar het buitenland. Rond de tiende eeuw kwam er echter door nog onduidelijke redenen geleidelijk een einde aan de Veluwse ijzerproductie.

Waterradmolen

 

Waterkracht
In de 14e eeuw werd ontdekt dat je de blaasbalg onder de oven kon laten aandrijven door waterkracht. 
Schepradmolens in de riviertjes konden voor een hogere oventemperatuur zorgen, waardoor het ijzer echt vloeibaar werd en de molens niet hoefden te worden stilgelegd om de ijzerspons er uit te halen. Het vloeibare ijzer kon men via een tuit eruit laten lopen en opvangen. Dit betekende niet dat er minder hout nodig was. Een betere zuurstoftoevoer zorgde voor een betere verbranding, dat wel.
 
De winning van ijzeroer kwam in ons land pas echt wat grootschaliger op gang tegen het einde van de 17e eeuw. Toen ontstonden er in het oosten van ons land in de kleinere rivierdalen van de Oude IJssel:
verschillende ijzergieterijen ( Zutfen, Doetinchem, Ulft, Deventer, Keppel).
 
De stoommachine zorgde er voor dat overal in het land ijzergieterijen kwamen.
Na 1870 begon het verval door een slechte concurrentiepositie. De eerste hoogoven van IJmuiden dateert van 1924.
 
Enkele van de bekende firma's die veel gietijzer produceerden waren:
 
In de Oude IJsselstreek:
Diepenbrock en Reigers te Ulft (DRU), opgericht 1754.
Vulkaansoord te Terborg, opgericht in 1821.
Becking en Bongers te Ulft, opgericht in 1885
Snoeck en Boom (later: Vulcanus) te Langerak (vanaf 1894)
Ubbink te Doesburg (vanaf 1883)
Lovink te Terborg (vanaf 1911)
 
Elders:
Nering Bögel te Deventer,
Etna in Breda.
Joh. Zimmer te Amsterdam.
IJzergieterij Prins van Oranje te Den Haag (Weduwe Sterkman en Zn.). Dit bedrijf goot o.a. lantaarnpalen in 1859 voor Den Haag.
 
Vraag:
Hebben deze (en andere) gieterijen de levensbomen op de Nederlandse markt gebracht? In welke bladen zouden ze mogelijkerwijs kunnen hebben geadverteerd?
Deze vragen hoop ik beantwoord te krijgen. Als je dit leest en je weet hier iets meer van, wil je dan contact opnemen?